GEZONDHEID ALGEMEEN  gezondheidsproblemen

 

De Verworven Hartziekten.

 

Dit artikel behandelt de verworven hart- en vaatziekten ontstaan gedurende het leven. Het bespreekt niet de hartafwijkingen die al van de geboorte aanwezig zijn.

 

        Ziekten van de kransslagaders, zoals angina pectoris en een hartinfarct, zijn vrijwel altijd het gevolg van vernauwing of afsluiting van de kransslagader(s). Dit begint met een kleine beschadiging van de gladde binnenwand van het bloedvat. Het lichaam probeert die beschadiging te herstellen; er klonteren dan bloedplaatjes samen op de beschadigde plaats en witte bloedcellen dringen de vaatwand binnen. Die witte bloedcellen nemen cholesterol op, wat een brijachtige massa geeft waar zich later ook kalk op afzet. Hierdoor worden de kransslagaders steeds nauwer en kan het zuurstofrijke bloed de hartspier moeilijker bereiken. Dit noemen we slagaderverkalking of artherosclerose. 

1 / Angina pectoris

        Bij angina pectoris (hartkramp) krijgt een deel van de hartspier te weinig zuurstof, vrijwel altijd door een vernauwing in een van de kransslagaders. Meestal ontstaat dit gebrek aan zuurstof bij inspanning, dus als het hart harder moet werken en de hartspier meer zuurstof nodig heeft dan het vernauwde bloedvat kan aanvoeren. Angina pectoris is een typische beklemmende, drukkende pijn achter het borstbeen. De pijn straalt vaak uit naar de linkerarm of naar de kaken en soms naar de rug of de schouderbladen. Soms is er pijn in de rechter- in plaats van de linkerarm. In rust en/of na een vaatverwijdend medicijn, zakt de pijn.

 

 

2 / Hartinfarct.

Wanneer een bloedstolsel een kransslagader plotseling helemaal afsluit, ontstaat een hartinfarct of hartaanval. Door die afgesloten kransslagader krijgt het bijbehorende gedeelte van de hartspier geen zuurstof meer en sterft af. Dit geeft hetzelfde gevoel als bij een angina pectoris, vaak ook nog misselijkheid en zweten er bij. Deze pijn gaat niet over in rust en reageert onvoldoende op vaatverwijdende medicijnen. Het hart krijgt op de plaats van het infarct een litteken, dat op den duur bindweefsel wordt. Het hart blijft wel doorpompen, maar dit deel van de hartspier werkt niet meer mee. De ernst van een hartinfarct hangt af van de grootte van de beschadiging, en van de plaats. De gevolgen van een hartinfarct kunnen daarom nogal verschillen.

3 / Hartklepaandoening.                                    

 Een hartklepaandoening kan ontstaan door bijvoorbeeld een ontsteking. Door zo'n ontsteking kunnen de klepbladen dikker en minder soepel worden. De klepbladen vergroeien met elkaar, waardoor de klep niet meer goed open gaat. Het hart heeft het dan moeilijker dan normaal. Er is meer kracht nodig om bloed door de vernauwing te pompen. Soms zijn de kleppen ingescheurd of slap en uitgerekt, zodat ze niet meer volledig sluiten en er een lek ontstaat. De meeste klepafwijkingen komen voor in de linkerharthelft. Op den duur kan schade aan het hart ontstaan. Als het hart door de afwijking van de klep te veel moeite krijgt met pompen, kan een hartklepoperatie nodig zijn.

 

4 / Ritme- en geleidingsstoornissen

 

4.1 / Ritmestoornissen.

        Er is sprake van een ritmestoornis als het hart te snel of te langzaam samentrekt of als de boezems en kamers niet in de juiste volgorde of onregelmatig samentrekken. Er zijn veel soorten ritmestoornissen; hoe ze ontstaan, hoe je ze moet behandelen en hoe bedreigend ze zijn, loopt erg uiteen. Sommige ritmestoornissen zijn geheel onschuldig, andere levensgevaarlijk.

Er moet dus eerst worden vastgesteld wat voor soort ritmestoornis men heeft.

Belangrijke vragen zijn :

* Slaat het hart snel of langzaam?

* Slaat het hart regelmatig of onregelmatig?

* Heeft men de ritmestoornis voortdurend of bij perioden, in aanvallen?

* Wordt men duizelig of heeft men de neiging weg te raken tijdens de ritmestoornis?

* Gaat de ritmestoornis gepaard met kortademigheid of pijn op de borst?

        Klachten bij een ritmestoornis kunnen zijn: hartkloppingen, hartbonzen, overslaan van het hart, duizeligheid, neiging tot flauwvallen en zelfs bewusteloosheid. Bijkomende klachten zijn: transpireren, een onaangenaam gevoel en misselijkheid tijdens een aanval. Omdat de arts uit deze klachten niet kan opmaken om wat voor soort ritmestoornis het gaat, is het nodig om tijdens de ritmestoornis een hartfilmpje (ECG) te maken. Bij de ritmestoornissen die volstrekt onschuldig zijn is geen behandeling nodig. Andere kunnen goed worden behandeld met leefregels en medicijnen. Weer andere zijn goed geholpen met bijvoorbeeld een inwendige defibrillator, een ICD. 

 

4.2 / Geleidingsstoornissen.

Bij een geleidingsstoornis wordt ergens in het hart het stroomstootje opgehouden. Dit wordt vastgesteld op een hartfilmpje. Er bestaan geleidingsstoornissen op verschillende plaatsen met nogal verschillende gevolgen. Bij een "SA-blok" gaat het stroomstootje niet goed van de sinusknoop naar de boezems. Het gevolg kan zijn dat het hart te langzaam klopt. Een andere geleidingsstoornis is een "AV-blok" of een "bundeltakblok". Dit heeft meestal geen gevolgen voor de hartwerking. Geleidingsstoornissen ontstaan vaak bij het ouder worden. Toenemende stoornissen kunnen op een onvoorspelbaar moment leiden tot een lange pauze in de hartslag. Als voorzorg kan het aanbrengen van een inwendige pacemaker nodig zijn. Geleidingsstoornissen kunnen ook het gevolg zijn van een acuut hartinfarct, of van een hartoperatie. Zulke geleidingsstoornissen herstellen meestal vanzelf. Soms wordt dan een tijdelijke, uitwendige pacemaker aangebracht, zodat men kan afwachten hoe de aandoening zich ontwikkelt.

 

5 / Hartfalen.

Ondanks de manier waarop 't klinkt, betekent hartfalen niet dat het hart er plotseling mee stopt of dat iemand aan het sterven is. Hartfalen is een combinatie van verschijnselen die direct of indirect het gevolg zijn van de verminderde pompwerking van het hart. Als een hartkamer niet goed pompt kan er te veel bloed achterblijven in de bijbehorende boezem van het hart. Daardoor ontstaat ophoping (stuwing) in de bloedvaten die het bloed aanvoeren. Een verminderde pompwerking kan ook betekenen dat de rechter of linker hartkamer minder bloed rondpompt dan het lichaam nodig heeft. Er ontstaat dan een zuurstoftekort in delen van het lichaam. In feite is hartfalen dus geen ziekte, maar een slechte conditie van een vitaal orgaan - het hart. Als de pomp vooral aan de linkerkant van uw hart niet goed werkt, raken de bloedvaten van de longen overvol. Er gaat dan bloedplasma uit de kleine bloedvaten van de longen lekken. Dit vocht hoopt zich op in de longen, waardoor u kortademig wordt en kriebelhoest krijgt. Ook bij zitten en liggen kunt u het benauwd krijgen; misschien slaapt u op meerdere kussens om wat meer lucht te krijgen. Als uw benauwdheid snel verergert, is er misschien vocht in de longen gekomen ('vocht achter de longen', zegt men ook wel). Door de mond geeft de ademhaling dan het geluid van een net opengemaakte fles frisdrank. Als de rechterkant van uw hart minder goed pompt, hoopt het vocht zich op in buik, benen en voeten. Bij vochtophoping in de buikholte krijgt u bijvoorbeeld een vol gevoel in uw buik, en uw kleren gaan strakker zitten. Een combinatie van links en rechts hartfalen komt ook voor. Als het hart minder goed pompt komt het lichaam dus zuurstofrijk bloed te kort. Door dit tekort voelt u dat uw spierkracht

minder is dan vroeger. Ook spieren hebben zuurstof nodig. U zult sneller moe worden bij inspanningen als bijvoorbeeld (trap)lopen of boodschappen doen. Een ander typerend verschijnsel van hartfalen is dat u er 's nachts vaker uit moet om te plassen, of dat u het benauwd krijgt als u voorover buigt of bukt. De meest voorkomende klachten van mensen met hartfalen zijn :

• Vermoeidheid.

• Kortademigheid

• Opgezette benen en enkels

• Een vol gevoel in de bovenbuik, een opgezette buik

• Zwaarder worden terwijl u niet meer dan normaal eet

• Vaker moeten plassen 's nachts met soms weinig urine-productie overdag

• Prikkelhoest, vooral bij platliggen

• Verminderde eetlust

• Slapeloosheid of onrustige slaap, duizeligheid

• Koude handen en voeten

 

Wat zijn de oorzaken van hartfalen? De verminderde pompfunctie van het hart kan verschillende oorzaken hebben. De arts kan door middel van een aanvullend onderzoek de oorzaak van het hartfalen opsporen.

De belangrijkste oorzaken zijn :

• Een of meer eerdere hartinfarcten. Tachtig procent van het hartfalen ontstaat direct, of pas na verloop van jaren, na één of meer doorgemaakte hartinfarcten. De hartspier raakt tijdens een hartinfarct beschadigd en verliest op die plaats zijn pompkracht. Hierdoor vermindert de pompkracht van het hart als geheel.

 

• Hoge bloeddruk Hoge bloeddruk veroorzaakt hartfalen omdat het hart steeds tegen een te hoge weerstand in moet pompen. Eerst wordt de hartspier dikker en vervolgens stijver, en daarmee verliest het hart aan pompkracht. Op oudere leeftijd verliezen hart- en bloedvaten toch al een deel van hun veerkracht. Dit versterkt het effect van hoge bloeddruk.

• Niet goed functionerende hartkleppen. Als de hartkleppen vernauwd zijn of niet goed meer sluiten, moet het hart extra hard werken om voldoende bloed de kleppen te laten passeren. Het kan hier overbelast van raken.

• Ritmestoornissen. Wanneer het hart door een ritmestoornis alsmaar te langzaam of te snel klopt, kan hartfalen ontstaan. Het gaat hier met name om een traag ritme door een blokkade in de prikkelgeleiding, of om een snel ritme door boezemfibrilleren. *

• Ziekte van de hartspier (cardiomyopathie) Letterlijk betekent cardiomyopathie: hart (cardio) - spier (myo) - lijden of ziekte (pathie). Bij cardiomyopathie hebben de hartspiercellen een abnormale bouw en functie waardoor de wand van het hart te slap of te dik en stijf is. Meestal is dit het gevolg van erfelijke aanleg. Soms is er tegelijk een verstoord hartritme. De verslapte hartwand komt het meest voor. Deze heet 'gedilateerd' (dilateren betekent: oprekken of wijder maken). De verwijde hartkamer heeft onvoldoende kracht om een goede hoeveelheid bloed uit te pompen. In het andere geval, als de wand van de hartkamer te dik en te stug is, kan het hart niet goed volstromen met bloed en daardoor minder goed pompen. Men spreekt dan van 'restrictieve cardiomyopathie' (restrictief betekent beperkt). De ene vorm van cardiomyopathie kan overgaan in de andere. Zo kan bijvoorbeeld een verdikte spier later juist gaan verslappen.

 

 

Deze tekst kwam tot stand dank zij de bereidwillige medewerking van de Nederlandse Hartstichting. Copyright: Nederlandse Hartstichting, Postbus 300 2501CH Den Haag.